home biografie bibliografie andere_publicaties fotogalerij nieuws gastenboek links contact

contact

 

Archief Colums

Waarom begin je geen website,
zeiden ze...

De wonderlijke avonturen...

 

De wonderlijke avonturen van Beertje Kareltje

[EERST DIT ! Een website is als een tuin, waarin je regelmatig moet wieden, harken, spitten, snoeien. Zeker als ge dan nog de pretentie hebt om plaats voor een column te voorzien. Ik weet het, ik weet het, ik heb mijn mooie website gruwelijk verwaarloosd de jongste maanden. Maar ik pleit verzachtende omstandigheden. Een nieuw opduikend kankerplekje (dat operatief moest verwijderd worden) heeft roet en miserie in het eten gegooid. Voeg daarbij de nasleep met controles hier en onderzoeken daar - ik moet er geen tekeningetje bij maken. In een volgend Schot zal ik eens een boekje opendoen over wat er met onze gezondheidszorg aan de hand is, maar niet nu. Ik heb iets poëtischer én vrolijkers aan de hand, dat ik eerst moet vertellen.]

IEDEREEN die mij een beetje beter kent, weet dat ik iets heb met beren. Mijn huis barst niet alleen zo langzamerhand uit zijn voegen van de boeken, maar ook van de beren. Die overigens vaak opduiken in mijn boeken. Denk maar aan Een beer bij volle maan, Van de Grizzly die niet slapen wou en aan Het Grote Berenvoorleesboek.
Hoe die bonte verzameling ooit is kunnen ontstaan, ik weet het niet. Ik heb ze in ieder geval niet bewust gewild en ik word er weleens wanhopig van. Mensen schijnen vaak te denken : ‘Hij heeft een huis vol beren en het is eens wat anders dan een goede fles of een boek !’ Néé dus !
Maar goed, we dwalen af !

DE ALLEROUDSTE BEER die ik heb, moet Beertje Kareltje zijn. Ik heb hem ooit als nieuwjaarscadeau gekregen van mijn petekind Berbel, ik schat minstens twintig jaar geleden.
Hij vormde een stel met een broertje, Petertje, maar die woont ondertussen in Zürich en dat is weer een heel ander verhaal !
Beertje Kareltje is in menig opzicht een merkwaardig beertje. Hij is nauwelijks een flinke mensenvuist hoog, draagt een donkerbruine pels met beige toetsen aan zijn snuit en zijn pootjes en heeft blauwe oogjes ! Daardoor onderscheidt hij zich wezenlijk van de meeste van zijn soortgenoten, die altijd zo’n vochtige, chocoladen en wat verdrietige blik hebben. Beertje Kareltje is de Frank Sinatra, de Paul Newman, de Clint Eastwood onder de beren. En bovendien heeft hij een piepklein staartje, wat buitengewoon grappig is.

BEERTJE KARELTJE heeft járen deel uitgemaakt van de chaos op mijn bureau en was zo beleefd daar nooit enige opmerking over te maken [en zich dus te verlagen tot het niveau van de gemiddelde poetsvrouw]. Zelfs niet toen hij wat moest opschikken voor een draadloze telefoon en het portret van mijn lieve vriendin, bij wie ondertussen zijn broertje onderdak had gevonden.
Hij maakte even een opgemerkt optreden in Het Grote Berenvoorleesboek, zij het in een gastrol, die in de verste verte niet herinnerde aan zijn bureauverleden.
Maar toen was allang Van de Grizzly die niet slapen wou verschenen. En dát boek zou wel tamelijk krachtig ingrijpen in Beertje Kareltjes onbekommerde bestaan !

VOOR WIE het boekje al te ver moet gaan zoeken, even samenvatten. Een jonge Grizzly zit opgesloten in de zoo van een niet nader genoemde koning, ‘s konings dochter wordt verliefd op hem en ze worden speelkameraadjes. Tot de winter eraan komt en de Grizzly aan zijn winterslaap moet beginnen, maar weigert te slapen omdat hij een hele winter lang geen afscheid kan nemen van ‘zijn’ prinsesje. U moet het zelf nog maar eens nalezen. U hebt de keuze uit een Nederlandse, een Duitse en... een Koreaanse versie !

KARELTJE komt pas écht opdraven in 2004, toen ik een soort vervolg wou schrijven op het Grizzlyverhaal. Hoe is het gesteld met prinses Limoentje en de Grizzly na, laten we zeggen, tien of vijftien jaar na de gebeurtenissen, verteld in het eerste boekje ?
Welnu, de prinses wordt voorbereid op haar toekomstige taak als koningin en studeert in het buitenland en de Grizzly is verhuisd van het paleis naar de overkant van het meer, naar een gebied dat Heuvelbos heet.
In die [schrijf]situatie had ik voor de Grizzly een waardige tegenspeler nodig en... wie kon dat beter zijn dan Beertje Kareltje, die op een dag in Heuvelbos opduikt en grootse plannen heeft ? Hij wil alle beren bevrijden en onderbrengen in een Republiek van Vrije Beren waarvan hij, na democratische verkiezingen uiteraard, maar al te graag de eerste presidentstermijn op zich wil nemen...

BOEKEN gaan vaak met een schrijver op de loop. Zo ook hier. Samen met de Grizzly en Beertje Kareltje tuimelde ik van de ene krankzinnige situatie in de andere, wat ertoe leidde dat De Berenfanfare een omvang begon aan te nemen die ik niet voor mogelijk had gehouden.
De twee protagonisten stuwden mij onstuitbaar voort in een wilde werveling van gebeurtenissen en bizarre dialogen en vaak dacht ik : ‘Dit wordt mijn laatste boek, want hierna zal alles gezegd zijn !’
Bijna alles was gezegd, inderdaad. Ik voltooide in een soort vreemde roes het boek in de loop van 2004 en... in het begin van 2005 werd bij mij kanker vastgesteld.

LATEN WE niet al te lang stilstaan bij de vrij banale periode die op het voltooien van dit boek volgde. Misschien later eens.
Alleen dit.
Tijdens die nare maanden van medische onderkoeldheid én een grote, solidaire warmte van geliefden en vrienden, groeide Beertje Kareltje uit tot een merkwaardige persoonlijkheid.
Op één of andere manier, en ik wil het niet pathetisch laten klinken, nam hij langzaam maar zeker de leiding van mijn leven en werd hij hét symbool van de wil tot leven.
Het werd een gewoonte om hem overal mee naartoe te nemen. Naar ziekenhuizen en doktoren, naar restaurants en cafés, naar besprekingen met uitgevers en zelfs naar een interview op Klara, waar hij Kurt Van Eeghem wist te bekoren. En naar Zürich, natuurlijk, waar ik in mijn tweede thuis het grootste deel van zijn verhaal heb geschreven.
Kortom, Beertje Kareltje werd niet alleen een compagnon de route, hij werd ook een test ! Een test voor mensen !

VOOR HET EERST testte ik Beertje Kareltje uit toen ik in het voorjaar van 2009 voor een operatie aan mijn tong werd opgenomen in het Universitair Ziekenhuis in Gent.
Nog vóór ik de kamer kon betrekken was daar reeds een prachtige ruiker bloemen gearriveerd en daar zette ik hem onder, frêle en klein.
Vandaag de dag zijn mensen in hospitalen teruggebracht tot streepjescodes. Dat zal uit praktische overwegingen ook wel moeten, vrees ik, in een ziekenhuiscomplex waar bijna zesduizend mensen werken.
Met mijn mond vol pijn, hangend aan een baxter en mijn kop vol sondes, wachtte ik gespannen af wat er zou gebeuren.
Tijdens mijn verblijf van een dikke week in dat ziekenhuis zijn er voorbij mijn bed tientallen professoren, dokters, assistenten, verpleegsters en verplegers en schoonmaaksters gepasseerd. Twéé daarvan merkten Beertje Kareltje op en één [heel mooi] verpleegstertje vroeg : ‘Wie is dat ?’
Zo goed en zo kwaad als ik kon, met al die slangen en toestanden aan en in mijn kop zei ik : ‘Dat is Beertje Kareltje, de President van de Republiek van de Vrije Beren.’
Dat meisje is daarna nooit meer op mijn kamer geweest zonder heel beleefd te zeggen : ‘Dag, meneer de president !’
Ik bedoel maar.

OP 29 JULI moest ik naar het UZ, om een scan te laten nemen. Natuurlijk met Beertje Kareltje in mijn jaszak.
Bij dat soort gelegenheden pleeg ik van Kalken naar het station van Beervelde te rijden [sinds kort terug open, om het uur een verbinding naar Antwerpen en Gent en volop parkeerruimte], daar de trein te nemen tot Gent-St.-Pieters en vandaar een taxi naar het UZ.
Scan gedaan, taxi terug, een tripeltje gedronken in het stationsbuffet... en toen, wie schetst mijn ontsteltenis, was ik Beertje Kareltje kwijt !!!
Eerst had ik nog de vage hoop dat ik hem thuis vergeten was, dat hij ergens in mijn auto versukkeld was... Niets ! De Spoorwegen gebeld, het stationsbuffet, twee taximaatschappijen, het UZ... Niets !
Beertje Kareltje was uit mijn leven gestapt.

NU VOELT NE MENS zich behoorlijk opgelaten om half Vlaanderen te moeten afbellen voor een verloren beertje. Maar in dat soort dingen kan ik koppig zijn, dat zit in de familie, én ik heb het allang verleerd om mij zogenaamd ‘belachelijk’ te maken.
De laatste strohalm was de plaatselijke pers.
Ik trad in contact met Glenn De Wilde, die voor Het Laatste Nieuws de lokale verslaggeving voor deze regio doet.
Op 13 augustus verscheen er in de krant een kort bericht over mijn zoekgeraakte President, met een foto erbij. Nog vóór ik mij de krant had kunnen aanschaffen, kreeg ik een mailtje van een dame uit Beervelde die Beertje Kareltje had zien staan op de toog van bakkerij Van Acker in Beervelde-Dorp. Die bakkerij was gesloten wegens jaarlijks verlof, maar misschien, zei ze, was er wel iemand thuis.
Een half uur later mocht ik ontroerd uit de handen van bakker Van Acker mijn geliefd beertje in ontvangst nemen. Hij zag er wat verfomfaaid uit en zijn oren toeterden nog duidelijk na van ‘vier pistolets en een klein gesneden grof’, maar ik hád hem.
Later op de dag kreeg ik nog een uitgebreide mail van de man die hem gevonden had op het stationsperron. Een spoorwegarbeider, die hem aanvankelijk mee naar huis had genomen voor zijn dochter, maar na twee dagen ‘wroeging’ kreeg en het goede idee had gehad om het beertje op de toog van de drukbeklante bakkerszaak te gaan zetten.

BEERTJE KARELTJE is terug thuis, nog een beetje beduusd, krantenheld van één dag, dragend personage van De Berenfanfare, dat in oktober zal verschijnen bij uitgeverij Van Halewyck in Leuven.
Allen die hem geholpen hebben om weer thuis te komen, krijgen natuurlijk een gehandtekend exemplaar van een van de meest krankzinnige boeken die ik ooit heb geschreven.

Met dank aan Glenn De Wilde, bakkerij Van Acker, Nadine Meganck en Filip De Vuyst.

HENRI VAN DAELE
[22.8.09]